TWEE GENERATIES

‘HET IS ELKE KEER WEER EEN PUZZEL’

Tekst Kees Bals Beeld Winand Stut

‘SPUUG IN JE PETRISCHAAL... DAT STINKT'

Werken in een ziekenhuislaboratorium is al lang geen kwestie meer van pipetteren in een reageerbuis of petrischaal. Het onderzoek dat Marian Vertegaal en Lianne Fletterman doen is grotendeels geautomatiseerd, maar daarom niet minder leuk. ‘We dragen bij aan de zorg met werk waar we goed in zijn.’

Marian Vertegaal (62) en Lianne Fletterman (31) zijn klinisch chemisch analist. Ze doen laboratoriumonderzoek voor ziekenhuizen. Lianne heeft net het laboratorium in het Leidse Alrijne Ziekenhuis laten zien. Een ruimte van zo’n honderd vierkante meter vol computers en een stuk of vijf grote witte dozen die – ondanks haar toelichting – voor de leek toch gewoon grote witte dozen blijven. Extra uitleg is dus noodzakelijk.

BLOED, URINE, ONTLASTING

Klinisch chemisch analisten behoren tot de medische laboranten, zo vertellen Marian en Lianne. Tijdens de opleiding daartoe kun je kiezen uit drie specialisaties. Als pathologisch analist kijk je naar (menselijk) weefsel. In de medische microbiologie onderzoek je infecties en bacteriën. En als klinisch chemisch analist zijn vooral bloed, urine en ontlasting je onderzoeksterrein.

‘Daarin zoeken wij afwijkingen op’, zegt Marian. ‘De huisarts of de specialist wil bijvoorbeeld weten of de patiënt suikerziekte heeft. Daar zoeken we dan naar in het bloed. Om te bepalen of iemand een hartinfarct heeft, kijken wij of er bepaalde enzymen in het bloed zijn te vinden. Naar prostaatkanker doet de arts in eerste instantie een klinisch onderzoek, maar het is ook aantoonbaar in het bloed. Dat geeft een sterke indicatie. Het geeft de mogelijkheid om te volgen of de behandeling aanslaat. Als het daalt, weet je dat het de goede kant op gaat.’

SPUUG IN JE PETRISCHAAL

Medische microbiologie viel tijdens haar hbo-opleiding snel af. ‘Dat vond ik vies. Dan moest je ook sputumonderzoek doen. Dat was niks. Die spuug in je petrischaal... dat stonk.’ Ze trekken allebei een vies gezicht.

Marian: ‘Met chemische analyse heb je meer afwisseling, gebruik je meer verschillende technologieën.’ Maar... zij zitten zelf toch ook in ontlasting te peuren? Marian: ‘Dat voelt voor ons anders, dat hoort er gewoon bij.’ Lianne: ‘Je denkt er ook niet bij na.’

BINNEN EEN UUR

Marian en Lianne werken voor Atalmedial, een grote organisatie die laboratoriumonderzoek doet in en voor ziekenhuizen in de regio Leiden, Haarlemmermeer, Haarlem, Amsterdam en Flevoland. Ze werken afwisselend in de verschillende laboratoria van de organisatie. Marian begon hier in Leiden in 1977, toen dit laboratorium nog echt onderdeel van het ziekenhuis was. Nu is dit vrijwel alleen een dagziekenhuis, waar mensen komen voor onder meer onderzoek, chemotherapie en dagbehandeling.

Lianne: ‘Wij zijn hier vooral voor de chemopatiënten.’ Marian: ‘We doen onderzoek waarbij het resultaat snel klaar moet zijn, omdat de arts het snel nodig heeft – meestal binnen een uur – of omdat de houdbaarheid van bijvoorbeeld bloed, urine of sperma beperkt is.’ Lianne: ‘In Amsterdam hebben we een groot laboratorium op een gehele verdieping van het voormalige Slotervaartziekenhuis, waar we het bulkonderzoek doen.’ Marian: ‘Dat gaat om onderzoek waarbij het resultaat niet op heel korte termijn bekend hoeft te zijn. In de meeste gevallen kunnen we het nog dezelfde dag doorgeven.’ Lianne: ‘Voor hematologie hebben we hier één apparaat, daar staan er vijf die de hele dag vol staan te draaien. Hier doen we tientallen bepalingen per dag, daar duizenden.’

Tekst gaat verder onder de foto

‘TOEN IK BEGON MET WERKEN, BEGONNEN WE DE OCHTEND MET PRIKKEN’
‘DE IDENTIFICATIE VAN ANTISTOFFEN IS ELKE KEER WEER EEN PUZZEL’

PRIKKEN

Lianne kwam in het vak terecht omdat ze op de havo goed was in de bètavakken en daar iets mee wilde gaan doen. ‘Maar ik wilde niet alleen maar in de boeken zitten, ik wilde ook met mensen werken. Als klinisch chemisch analist moet je ook bloed prikken en kom je zo in contact met patiënten. Als ik in het ziekenhuis in Leiderdorp werk is dat nog steeds een wezenlijk onderdeel van de nachtdienst, maar in de meeste ziekenhuizen prikken de artsen zelf.’

Marian: ‘Toen ik begon met werken begonnen we de ochtend met prikken en dan was je daar wel een uur mee bezig. Maar gaandeweg namen doktersassistenten dat werk over. Daar zit gedeeltelijk een financieel argument achter: zij zijn goedkoper. Bovendien is het voor een analist niet efficiënt als hij of zij het werk moet stoppen om een patiënt te gaan prikken.’

Marian koos voor dit vak omdat ze met haar vader mocht meelopen die in een ziekenhuis in Den Haag werkte en op die manier het laboratorium leerde kennen. ‘Dat vond ik zo fascinerend.’

ONTRAFELEN

Wat Lianne het meest plezier bezorgt, is dat ze kan bijdragen aan de toestand van de patiënt, dat ze de behandeling kan versnellen. Ze heeft zich gespecialiseerd in het opsporen van antistoffen in het bloed. Daarmee helpt ze bepalen welk bloed geschikt is voor een transfusie bij een patiënt. Soms heeft ze oproepdienst om ’s nachts in het Haarlemse ziekenhuis het bloed van een patiënt te analyseren. ‘Daarmee zorg ik dat iemand toch bloed kan krijgen.’

Marian heeft zich gespecialiseerd als vakanalist chemie. ‘Als een test niets oplevert, of als een apparaat het niet doet, onderzoek ik hoe we dat kunnen oplossen. Dat uitzoeken geeft me voldoening. Zo’n 90 procent van ons werk is routine en doorsnee. Juist die dingen die je echt moet ontrafelen, die zijn het boeiendst.’

Lianne: ‘Dat heb ik bij de identificatie van antistoffen. Het is elke keer weer een puzzel. Als dat lukt...’ Marian: ‘En natuurlijk heb ik ook bewust voor de zorg gekozen, wil ik echt iets bijdragen daaraan. Het mooie is om dat te combineren met iets dat je leuk vindt, waar je goed in bent.’

WATERBAD

Marian heeft het vak in de loop der jaren zien veranderen. ‘Er zijn veel meer soorten testen gekomen. Toen ik begon konden we bijvoorbeeld nog geen tumoren in bloed aantonen. Daarnaast werken we veel meer met apparatuur, met computers. Toen ik begon schreef ik nog alle resultaten in een schriftje. Alles was handwerk, met reageerbuisjes in een waterbad van 37 graden. Dat vroeg ook om veel meer mensen. Langzamerhand nam apparatuur dat over. Daardoor is het niet minder leuk geworden. Je moet nu scherp opletten of die apparaten de juiste uitslagen geven. Die verandering ging geleidelijk, je groeit er in.’

Lianne: ‘Het is een ontwikkeling die altijd doorgaat. Apparatuur gaat maar zeven tot tien jaar mee en wordt dan weer vervangen. Wij deden op school nog een enkel testje met de hand, maar kregen vooral theorie. Echt onderzoek doen leerden we in de praktijk, op stage.’

Marian: ‘Toen ik begon, hadden we nog een volwaardig lab in het ziekenhuis met een vast team. Nu we op verschillende locaties werken, heb je jammer genoeg minder dat teamgevoel.’

Lianne: ‘Ik heb dat met het contact met andere afdelingen. De eerste twee jaar dat ik hier werkte had ik mijn vaste contacten met verpleegkundigen. Maar het is ook wel weer een uitdaging om op verschillende locaties te werken en op verschillende manieren te werken. Ik denk dat als dat er niet bij was gekomen, ik hier niet meer had gewerkt.’

Deel deze pagina